Het klooster lag aan de top van het schiereiland, tussen de kliffen. Er was één weg om erheen te komen. Die leed voor het grootste deel langs de natte rotsen bij de zee. De weg was tot daar slipperig en groen van de algen. Vlak onder het klooster zigzagde een pad naar boven. Er konden geen mensen naast elkaar lopen, en voor paarden was het onbegaanbaar. Zodra je uit de groene nevelen van de zee ontsnapt was, werd duidelijk dat het pad op het zuiden gericht was. De weg was vol prikkelig stof, en als het regende, had men op de door weer en wind gesleten stenen geen grip.
Duizend voet boven de bruisende zee hing het klooster aan de rotsen. In de 8e eeuw begon haar historie, met een kluizenaar die in de rotsspleet ging wonen, op de plek waar nu het klooster haar muren uitgevouwen had. De legende zei dat hij, zoals de meeste kluizenaars, als dat niet al in het woord besloten ligt, geen menselijk gezelschap duldde, maar wel twee gedomesticeerde aapjes had. De streeksmensen hadden nog nooit een aap gezien. Daarom geruchtte het al snel van een behaard duivelskind. Op een dag besteeg een jonge monnik het pad, om de duivelsbeheerser om raad te vragen. Boven aangekomen, trof hij de twee aapjes uitgemergeld aan. Hun baas was al een jaar de pijp uit, en zijn overblijfselen lagen aangeknaagd door ongedierte in de grot. Uit zijn knapzak pakte de jonge monnik een brood en nam beide doodshoofdkinderen in de armen. Hij voerde ze, en mak als lammeren gods volgden ze hem vervolgens overal waar hij ging.
Hij zond een brief naar Avignon, met het verzoek om een nieuwe orde te mogen stichten. Zijn verzoek werd niet ingewilligd, waarna hij, woedend als hij was, de plaatselijke bevolking uitnodigde om met hem bannelingen te worden. Een paar dorpsgekken stemden in, en het klooster werd gebouwd. Nakomelingen werden geboren, zowel uit mens als aap, en langzaamaan groeide de bedrijvigheid van het klooster. Geld werd verzameld, en geheel volgens hedendaagse marktprincipes werd winst gemaakt. Met de bedrijvigheid werd het klooster groter gemaakt, en meer voedsel was nodig om iedereen te kunnen voeden.
Behalve deze handel met de plaatselijke streek, was er geen enkel contact met de buitenwereld. Als afvalligen hadden ze bij de Kerk niets te zoeken, de vergaarde munten werden bewaard als een appeltje voor de spreekwoordelijke dorst.
Vijfhonderd jaar later was het klooster bezeten van de duivelskinderen. De monniken hadden vijftig jaar eerder hun biezen gepakt. Door de beperkte landbouwgrond en een toenemend aantal voedende monnikenmonden was een voedseltekort ontstaan, en de duivelsspruiten namen het heft in eigen handen. Ze stalen elk voedzaam stuk materie. Toen de monniken vertrokken waren, vormden zich groepen, die elkaar de liefde niet na stonden. Met de monniken verdween ook het voedsel, en kannibalisme werd niet ongewoon gevonden, met als gevolg dat ook de apenpopulatie in het klooster drastisch daalde.
Uit deze darwinistische principes ontstond al snel een groep doorgewinterde apen, waarmee een inquisiteur van de Roomse kerk kennismaakte, toen hij vanuit de stad waarvan alle wegen schijnen te komen naar het verre oord afreisde, om polshoogte te nemen van wat er geworden was van de briefschrijver die destijds zijn verzoek ingediend had.
Na een lange klim stond hij voor de lemen poort met zware eikenhouten deuren. Zich afvragend hoe die daar gekomen waren, liep hij onder de boog door, de verlaten binnenplaats op. Uit de put, die in het midden van de binnenplaats geslagen was, klonk een hoog, hard gekrijs. Verschrikt sloeg de vrome man een kruis en liep voorzichtig naar de put toe. Het gekrijs ging plots over in een gorgelend geluid. Toen hij over de rand keek, flitste een vuildonkergele vlek juist de put uit en verdween achter de andere kant van de put. Hij keek naar beneden. De put was gedempt, en op de stoffige laag aarde, zo’n tien meter lager, lag een duivelskind met opengereten keel. Hij keek op, en zag de vlek juist een van de bijgebouwen inschieten.
De zendeling stond en dacht, kijkend naar de neervallen daken, vervallen muren. Zijn blik bleef rusten op wat de kerk geweest moest zijn. De toren torende nog overeind, maar het middenschip zelf zou niet meer varen. Hij liep er naar binnen, in de hoop een kruisbeeld te vinden. De altaartafel was nog overeind, de voorkant was weggevallen, en daar gaapte nu een diep donker gat. In de nis achter de tafel stond een kruis. Een gouden Jezus was gevallen, en lag headfirst op de grond, met gedeukte neus, onder het kruis. Omdat het altaar was uitgehouwen uit de rotsen, viel er geen licht op het kruis. Hier en daar stonden nog kaarsenstandaards als getuigen van Jezus’ val.
Toch hing er een figuur aan het kruis. Geronnen bloed was van de zijtakken van het kruis naar beneden gekropen over de muren, zich vermengend met het stof en stro van het leem. Hij liep zichzelf zegenend dichterbij tot vlak voor het altaar en zag het vertrokken gezichtje met de grote snijtanden. De ribben staken uit de huid, en de staart was in het leiden om de kruispaal heengekruld en door de rigor mortis in die houding blijven steken.
Een schaduw schoot achter hem langs. Boven zijn hoofd zoefden geluiden. Hij draaide zich om. In de deur stond een bewoner van de Nieuwe Wereld met opgetrokken lippen stevig in de grond. Zijn hand liep naar het gevest van zijn dolk. De lippen gingen met de mond wijder open, en een schreeuw klonk. Een zingend lemmet, en langs alle muren vielen geelzwarte vlekken naar beneden. Dreigend kwamen de apen dichterbij, staarten omhoog en hun ivoren tanden duidelijk zichtbaar. De mens deed een stap achteruit en verloor zijn evenwicht. Zijn hoofd klapte op de altaartafel, die doorbrak en achter het tijdelijk ontzielde lichaam aanvielen.
Terwijl het lichaam zich beneden langzaam weer bezielde, keerden de Saimiri weer weg. Op de resten van de doorrotte offertafel kwam hij weer bij zinnen. Hij keek liet zijn ogen wennen en constateerde dat hij zich bevond in een kelder onder de kerk. Het lage plafond was uitgehakt uit het zandsteen. In de enige nis in de ruimte was een sarcofaag uitgehakt. Hij liep op de grafkist af, en zag tot zijn schrik dat het deksel open lag. Bevend sloeg hij zijn zegen en keek. De inhoud was van goud en zilver.
Een weg omhoog was er niet. Hij zag geen kans zich een weg te kunnen maken door het poreuze zandsteen. Scheelkijkend van alle ontberingen legde hij zich neer bij dit einde. Huilend maakte hij plek in de doos.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten