de jongen stapte van zijn fiets af. met de fietstocht was zijn haar een warboel geworden, maar dat was niet erg. vandaag was hij een geest. hoewel er in geen wegen of velden iemand te bekijken was, zette hij zijn ijzeren ros vast tegen het roestrode hek. daar stond zijn doel voor die dag, fier tussen het gras. als je van deze afstand keek, leek het geen kunst, maar als je beneden stond, moest je je hoofd toch echt in je nek leggen om die twee vierkante meter te zien waar de jongen heen wilde.
maar voor het zover was, waren er nog twee obstakels te overwinnen. hij deed zijn zwarte handen aan, om te voorkomen dat ze zich zouden afvragen waar hij geweest was, en pakte de staven vast. eerst zette hij één voet op zijn bagagedrager, greep naar de rand van het hek, en stapte er toen met zijn andere been overheen. voorzichtig, met beide handen steunend, trok hij het bagagedragerbeen ook over het hek en liet zich toen vallen. in de flits die door hem heenging toen hij die afstand naar beneden aflegde, bedacht hij zich, dat hij bij terugkomst niet op zijn bagagedrager, die, met de rest van de fiets, aan de andere kant van het hek stond, kon vertrouwen.
dat was van later zaak. hij draaide zich om en keek om zich heen. zoals al die keren dat hij hier al langs was gefietst, was er niets. het braakliggende terrein voor zijn doel was te waterig voor muizen, en te droog voor vissen. varkens of zwijnen zouden zich er wel vermaken. over een paar maanden zou hier een nieuw bedrijventerrein ontgisten, en om nou voor die maanden hier varkens neer te zetten, was ook niet erg rendabel. bovendien wist je nooit wat die dieren op zouden graven. de heuvels die men hier neergeplempt had, konden nogal wat rare dingen herbergen. vier jaar lang was dit de vuilnisbak van de stad geweest.
hij boog door zijn knieën, vastte de draadjes aan zijn kisten nog een keer, en zette stap naar stap op weg naar zijn doel. de bomen hadden geen bladeren, de wind ruisde en de snelweg, hemelsbreed vijfhonderd meter verder, zoemde zoals altijd net iets boven de wind uit. al na een paar stappen werd het braakliggende terrein braamliggend terrein. de strengen striemden aan zijn broek, en hij voelde de doorns door zijn grijsgewassen spijkerbroek heen. het leer van de kisten werd bekrast, maar zijn torso bleef ongeschaden. daar sloegen de krassers af op het polyester van zijn zwarte regenjack, wat hij speciaal voor vandaag aan had gedaan, tegen de mogelijk voorspelde, maar nog niet gekomen regen.
zijn komst liet geen noemenswaardige sporen na, behalve soms een afdruk van een zool in modder. De braamtakken wilden zo snel mogelijk weer terug in hun vorige positie, en na drie stappen was hij daarom ook al helemaal omringd door de bijtende planten. zijn eerste gedachte was terug te gaan en een betere weg te vinden, maar toen hij stilstond en opkeek, zag hij dat het hele veld al volgemigreerd was met de inheemse vruchtendragers. het was dus beter door te zetten.
een lichte miezersluier was begonnen te vallen terwijl hij de laatste meters naar het grijze eilandje aflegde. toen hij aankwam, was zijn haar weer neergedaald door het zware water. het was tijd voor een rust, voordat hij begon aan het laatste stuk van de reis. hij deed het groene rugzakje, wat al die tijd aan zijn rug gehangen had, af, en sneed de rits open. uit de spelonken pakte hij toen een plastic petflesje, een lang touw, een paar karabijnhaken, de zekering, en zijn eigen creatie. hij draaide het flesje open, en zette het in zijn mond. met zijn knieën nog bungelend in de zee, ging hij achterover liggen op het muisgrijze strand. de inhoud van het flesje klokte zijn mondholte in, overstroomde deze, en droop onderlangs zijn oren het zand in.
hij kwam overeind, stopte het flesje en de machine weer terug, zipte de tas dicht, en deed deze alvast terug op zijn plek. vervolgens hing hij het touw met de karabijnhaken aan zijn broek, en gespte de zekering om. hij draaide zich om en deed twee stappen naar de regelkast. hoewel hij niet wist waar de sleutel was, had hij het gevoel dat die toch ergens in de buurt moest liggen. eigenlijk was wat hij nu deed, totaal niet nodig, want hij had alles al ingecalculeerd. maar daar was de sleutel al, en zo kraakte hij de regelkast open. binnenin zaten veel schakelingen en cijfers. alles stond zoals hij het had bedacht. hij gooide de regelkast dicht, en hing de sleutel terug op de plek.
toen pas keek hij om naar de stam. verweerd door de vele jaren regen, wind, sneeuw, droogte, warmte en kou, was deze verworden tot een grijsblauw omhulsel. één rechthoekig stuk op ooghoogte was echter glimmender van kleur. koperdieven waren ook hier langsgeweest en hadden hun kans schoon gezien. hij liep erlangs en zag zijn weg naar boven. vol goede hoop zette hij zijn zekering aan de roestige zekerdraad, maar dat was het enige wat fout gegaan was. dit was ook een pure gok. zonder zekering zette hij zijn zool op de eerste tree. glibberig van de modder klommen zijn zolen iets verder, toen sloeg hij ze tegen de mast, waarna het slijk van de mast naar beneden droop.
hij klom verder, zonder naar beneden te kijken. en al snel was hij boven. als hij met zijn hand langs de vetrand die de verbinding vormde tussen de kop en de rest van het lichaam zou strijken, zou een craquelé naar beneden vallen, en daaronder zou een nieuw mooi zwartglimmende rand tevoorschijnpiepen. maar dat deed hij pas toen hij op het platform stond. boven was de wind wat aangewakkerd, en de zoem van vijfhonderd meter verder was duidelijk hoorbaar. als hij hier met zijn beste vriend zou staan, zouden ze alleen kunnen communiceren met het enige wat ze eigenlijk nodig hadden.
taal is slechts een groot systeem, had hij geleerd. alles, elk woord, elke klank, kon worden teruggeleid tot op een punt dat er lang geleden iemand een geluid maakte, en iemand anders dat eerder begreep dan de blik in zijn ogen. meer hadden ze niet nodig gehad. toch was er een miscommunicatie geweest. zijn wederhelft had niet alles kunnen zeggen. daarom was hij hier. hij rommelde in de rugtas, en pakte de signaleur eruit, en zocht naar de juiste plek om hem vast te zetten. de drie loshangende draadjes zette hij vast op de juiste plek, en flipte de switch.
het licht was verblindend, hij deed een stap achteruit en stootte tegen het hekje aan dat hem tegenhield. maar alles wat niet van hetzelfde metaal als de stam was gemaakt, was hier te verweerd om een jongvolwassen jongen te kunnen houden. een roestig geluid en het hekje was op zijn weg naar beneden. met een daverende klap landde het op het strand, en stuiterde verwrongen weg de zee in. geschrokken keek de jongen om zich heen, of iemand in de omtrek het misschien gehoord had, maar er was niemand.
in geluk geloofde de jongen niet meer, maar toch was er een lichte twinkeling in zijn nog steeds verblinde ogen, die vertelde dat hij ervan genoot om op het randje te staan. als hij zijn gewicht iets meer naar achteren had gezet van schrik, dan zou zijn lichaam op die betonnen zeshoek liggen, tussen het verwrongen staal, wat dan niet zou weggesprongen zijn, maar een roestige indruk zou hebben achtergelaten tussen zijn schouders. het bloed zou uit zijn oren zijn gedropen en vermengd met de miezer, die inmiddels over was gegaan in een lichte regen, en het groenige algen onuitpoetsbaar een vlek hebben achtergelaten.
hij hing zijn benen over de rand en keek uit. daar in de verte zag hij de kerktorens van het centrum, en als hij goed keek, kon hij de volgende stad ook nog wel zien. hij zat hier goed. schikte zich een beetje op het metalen vierkantjesrooster, wat toch nooit lekker zou zitten. zo keek hij hoe de wolken van grijs naar zwart verwerden. toen het zover was, haakte hij een karabijnhaak vast aan het platform, en knoopte het touw vast.
hij nam het touw in zijn handen en sprong.
☮T.