Daar stond hij in de flat, vier hoog voor het raam. Hij staarde naar zijn reflectie in de donkerte. Probeerde de silhouetten aan de overkant van de straat te onderscheiden. In de vensterbank stond een glas, hij ademde de alcohol uit. Hij had tijd nodig, tijd om te denken. Waarover, dat wist hij ook niet precies. Waarom was alles gegaan zoals het gegaan was.
Ze zaten tegenover elkaar, bewogen met lichtsnelheid door de duisternis. Buiten raasde alles, maar de ramen waren dicht. Toch was het koud. Muziek klonk onhoorbaar voor een buitenstaander door de ruimte, toch beukten de bassen hard en klonken tonen helder als het glas waar hij regelmatig tegenaan tikte om de “ting” te horen. Het gaf rust, niet de doodse stilte te moeten horen die zich achter het gedempte geraas verstopte. Ze hadden hun eigen luchtbel, meer hoefden ze niet.
Blikken dwaalden rond en weerkaatsten in de spiegels. Maak nooit een kruis, dat hadden ze ooit tegen hem gezegd. Kruizen waren voor gelovigen, voor mensen die vonden dat spoken net zo echt waren als de bubbel waarin iedereen zich bevond. Twee glimlachen verder was een plan geboren.
…
Zijn voeten roffelden de trap af. Het witte licht weerkaatste zich in de dofglanzende tegels, lengtes werden uitgerekt. Hij schoof langs de mensen heen, op weg naar het einde van de gang. Zijn voetstappen gingen even snel als zijn hart toen hij de trap oprende. Hoewel hij nu over open terrein rende, was zijn hoofd nog steeds een tunnel. Glijdend over de gepolijste granieten vloer van het winkelcentrum kwam hij tot rust.
…
Zo stond hij daar, in het donker te wachten. De fles als graadmeter voor de tijd, zijn nuchterheid als negatieve afgeleide van de inhoud. Het roodgoudkleurige vocht zocht trillend naar zijn mond, tot er opeens geluid zijn schimmige bewustzijn doorboorde. Een hoog, schel belletje klonk uit de plastic speakers van de computer die op het bureau stond. Hij wachtte even, voor zichzelf proberend te verifiëren of hij op dat geluid had zitten wachten. Toen verhelderden zijn wazige ogen een ogenblik en schuifelde hij naar het bureau.
Hij tikte de muis aan, en spontaan kwam er leven. Een net niet hinderlijk gezoem begon, en de monitor lichtte in alle helderheid op. Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes toen zijn silhouet op de muur achter hem zichtbaar werd. Toen hij zijn ogen weer open kon doen, klikte hij. Hij kon de letters wel zien, maar ze waren te wollig om te lezen. Hij liep terug naar ’t raam en pakte zijn glas, ging tegen de verwarming zitten en gooide het restje achterover. Met het glas in zijn hand staarde hij naar de drie deuren. De middelste werd omrand door blauw nachtlucht, de andere twee waren alleen te onderscheiden als je wist dat ze er waren.
Drie uur later stond hij op en liep naar de wc. Toen hij terugkwam bracht hij zijn zoemende huisdier weer tot leven en las staand het bericht door. Hij greep de fles, die al die tijd op de rand van het bureau had gestaan en zocht naar zijn glas. Toen hij dat niet kon vinden krulden zijn mondhoeken om en liep naar de linkerdeur. Hij haalde nog een glas tevoorschijn en schonk zichzelf ruim in. Hij zette zijn glas neer op het bureau en ging zitten. Morgen zou hij antwoorden.