woensdag 16 maart 2011

voldaan van leegte

daar stonden ze dan, hij had het gezegd, en zij zei nee dank je, maar laten we blijven. het was een mooie nacht, als het water dat hij die avond bij zijn vegetarische maaltijd had gedronken. toen hij het podium opklom was ze er niet, maar gelukkig kwam ze toch nog. hij was te druk met gitaarspelen, maar zag haar en haar wederhelft wel binnenkomen. toen hoopte hij nog op een drie-eenheid. toen de band klaarwas, ruimde hij zijn gitaar weg. boven, in de kleedkamers, of eigenlijk de OK, zoals het hok heette, waar de bandleden een koelkast hadden staan, stond hij. borg alles op, de spreekwoordelijke pijl uit de boog ging hem te snel. ze zou toch missen, bleek later, maar dat wist hij nog niet.

hij moest nu toch echt naar beneden, iedereen zou hem opwachten, hem feliciteren, knuffels zouden gedeeld worden, en dan zou de nacht beginnen. het zou wel loslopen, net zoals elke andere nacht. nuchter was hij niet, hoewel de geest in de fles er nog niet uitgekomen was. dat moest toch eens gebeuren, dus waarom niet nu. twee glazen met bijbehorende inhoud in twee minuten, dat vond hij geen slechte score.

voor een afdaling naar de hel, was het welkom niet slecht. iedereen was gekomen. en ze vonden zijn levensverhaal goed. dat deed hem deugd. ook zij, ook zij gelukkig. toen was het luisteren, de muziek stond hard, dus een goed gesprek zat er niet in. op haar vraag zei hij dan ook dat ze maar beter naar buiten konden gaan voor dat goede. langs de drek en het water liepen ze nog een trap af. de poortwachters zeiden ze vriendelijk gedag.

zo stevende hij op zijn doel voor die avond af. een ervaren schipper. maar élas, het mocht niet bijten. we blijven vrienden, dat zwoor hij toen, want ze hadden nog betaald voor een feest. hoewel de nachtzon, met zijn minions aan de hemel zichtbaar was, was het koud. an sich was dat niet verwonderlijk, het was nog voor de lente. later die avond zouden ze nog een keer terugkeren, maar beter gekleed tegen dat bijtende monster. verder liepen ze toen, en met de meters kwamen ook de zinnen. een gesprek vloeide. toen de beek was verdroogd, liepen ze de warmte tegemoet. op de trappen naar de hemel werd hij tegengehouden. niet door de wachters, maar door een oude vriend.

hoe lang hij die al niet meer gezien had. hij vroeg zich af of het wel een vriend was geweest, gezien zijn houding tegenover de betreffende persoon niet, maar ergens had hij toen wel genegenheid gevoeld. anders waren ze sowieso nooit tezamen gekomen. misschien waren ze beiden verschoppelingen. wezens van een andere planeet, die op aarde geworpen waren om daar anders te zijn. een verschil te maken, als zondebok, of als kip. uit ongeloof vloog zijn vlakke hand tegen de wang van zijn numalige gesprekspartner. ben je het echt? leek de hand te zeggen. een lach, ja hij was het.

maar wat deed hij hier, in deze godverlaten plaats, daar aan de poorten van het leven. hij stak een sigaret op, en vertelde nonchalant van zijn beweegredenen. onomwonden, kort, bondig. hij zocht zwakke chickies om te neuken. geen steek veranderd, maar waarom hier? vroeg hij zich af. wanhoop zou het antwoord wel geweest zijn, wanhoop was de sleutel tot iedere beweging der verschoppelingen. tot die conclusie zou hij later komen, niet één keer, maar nog veel vaker. vooral als je ernaar zou zoeken, vond je het. maar was dat niet wishful thinking?

in ieder geval werd hij terug op aarde getroost, zijn vrienden waren er nog. wat dat betreft was hij misschien geen verschoppeling. misschien was hij alleen maar wanhopig. bestonden wanhopige mensen? of waren die allang uitgestorven? nee, bij nader inzien is wanhoop iets wat eigen kan zijn aan de mens. toeval wil dat aliens het soms ook hebben.

toen was het stil, iedereen ging weg, maar hij bleef, tot het einde. voor het laatst daalde hij toen af, de poortwachters waren al weg, bierdrinken aan de bar, naborrelen. na wat kleine omzwervingen, kon hij haar nog een knuffel geven. gedrieën aten ze nog een banaan en een gesuikerde wafel. toen bracht een spiegel haar naar huis.

als een veerman schipperde hij heen en weer, om uiteindelijk weer aan wal te staan, met de laatste vrienden in het laatste café kon hij toen nog net een biertje meepikken. toen gingen ze naar huis.

de volgende dag gooide hij een tennisbal tegen zijn spiegel. niet zijn spiegel, maar het object stortte in elkaar. met het laatste restje energie zette hij het ene been voor het andere, en vanzelf ging het. met elke stap werd de verdoving sterker. toch voelde hij zijn knie. hij moest terug, maar hij was ver weg. moe en voldaan van leegte kwam hij thuis.

☮ T.

1 opmerking:

  1. Dit... is wat schrijven hoort te zijn. Prachtige uiting van emotie in samenhangende, subliem gekozen woorden. Hulde!

    BeantwoordenVerwijderen