dinsdag 6 december 2011


Daar stond hij in de flat, vier hoog voor het raam. Hij staarde naar zijn reflectie in de donkerte. Probeerde de silhouetten aan de overkant van de straat te onderscheiden. In de vensterbank stond een glas, hij ademde de alcohol uit. Hij had tijd nodig, tijd om te denken. Waarover, dat wist hij ook niet precies. Waarom was alles gegaan zoals het gegaan was.
Ze zaten tegenover elkaar, bewogen met lichtsnelheid door de duisternis. Buiten raasde alles, maar de ramen waren dicht. Toch was het koud. Muziek klonk onhoorbaar voor een buitenstaander door de ruimte, toch beukten de bassen hard en klonken tonen helder als het glas waar hij regelmatig tegenaan tikte om de “ting” te horen. Het gaf rust, niet de doodse stilte te moeten horen die zich achter het gedempte geraas verstopte. Ze hadden hun eigen luchtbel, meer hoefden ze niet.
Blikken dwaalden rond en weerkaatsten in de spiegels. Maak nooit een kruis, dat hadden ze ooit tegen hem gezegd. Kruizen waren voor gelovigen, voor mensen die vonden dat spoken net zo echt waren als de bubbel waarin iedereen zich bevond. Twee glimlachen verder was een plan geboren.
Zijn voeten roffelden de trap af. Het witte licht weerkaatste zich in de dofglanzende tegels, lengtes werden uitgerekt. Hij schoof langs de mensen heen, op weg naar het einde van de gang. Zijn voetstappen gingen even snel als zijn hart toen hij de trap oprende. Hoewel hij nu over open terrein rende, was zijn hoofd nog steeds een tunnel. Glijdend over de gepolijste granieten vloer van het winkelcentrum kwam hij tot rust.
Zo stond hij daar, in het donker te wachten. De fles als graadmeter voor de tijd, zijn nuchterheid als negatieve afgeleide van de inhoud. Het roodgoudkleurige vocht zocht trillend naar zijn mond, tot er opeens geluid zijn schimmige bewustzijn doorboorde. Een hoog, schel belletje klonk uit de plastic speakers van de computer die op het bureau stond.  Hij wachtte even, voor zichzelf proberend te verifiëren of hij op dat geluid had zitten wachten. Toen verhelderden zijn wazige ogen een ogenblik en schuifelde hij naar het bureau.
Hij tikte de muis aan, en spontaan kwam er leven. Een net niet hinderlijk gezoem begon, en de monitor lichtte in alle helderheid op. Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes toen zijn silhouet op de muur achter hem zichtbaar werd. Toen hij zijn ogen weer open kon doen, klikte hij. Hij kon de letters wel zien, maar ze waren te wollig om te lezen. Hij liep terug naar ’t raam en pakte zijn glas, ging tegen de verwarming zitten en gooide het restje achterover. Met het glas in zijn hand staarde hij naar de drie deuren. De middelste werd omrand door blauw nachtlucht, de andere twee waren alleen te onderscheiden als je wist dat ze er waren.
Drie uur later stond hij op en liep naar de wc. Toen hij terugkwam bracht hij zijn zoemende huisdier weer tot leven en las staand het bericht door. Hij greep de fles, die al die tijd op de rand van het bureau had gestaan en zocht naar zijn glas. Toen hij dat niet kon vinden krulden zijn mondhoeken om en liep naar de linkerdeur. Hij haalde nog een glas tevoorschijn en schonk zichzelf ruim in. Hij zette zijn glas neer op het bureau en ging zitten. Morgen zou hij antwoorden.

zondag 27 maart 2011

Het klooster


Het klooster lag aan de top van het schiereiland, tussen de kliffen. Er was één weg om erheen te komen. Die leed voor het grootste deel langs de natte rotsen bij de zee. De weg was tot daar slipperig en groen van de algen. Vlak onder het klooster zigzagde een pad naar boven. Er konden geen mensen naast elkaar lopen, en voor paarden was het onbegaanbaar. Zodra je uit de groene nevelen van de zee ontsnapt was, werd duidelijk dat het pad op het zuiden gericht was. De weg was vol prikkelig stof, en als het regende, had men op de door weer en wind gesleten stenen geen grip.
Duizend voet boven de bruisende zee hing het klooster aan de rotsen. In de 8e eeuw begon haar historie, met een kluizenaar die in de rotsspleet ging wonen, op de plek waar nu het klooster haar muren uitgevouwen had. De legende zei dat hij, zoals de meeste kluizenaars, als dat niet al in het woord besloten ligt, geen menselijk gezelschap duldde, maar wel twee gedomesticeerde aapjes had. De streeksmensen hadden nog nooit een aap gezien. Daarom geruchtte het al snel van een behaard duivelskind. Op een dag besteeg een jonge monnik het pad, om de duivelsbeheerser om raad te vragen. Boven aangekomen, trof hij de twee aapjes uitgemergeld aan. Hun baas was al een jaar de pijp uit, en zijn overblijfselen lagen aangeknaagd door ongedierte in de grot. Uit zijn knapzak pakte de jonge monnik een brood en nam beide doodshoofdkinderen in de armen. Hij voerde ze, en mak als lammeren gods volgden ze hem vervolgens overal waar hij ging.
Hij zond een brief naar Avignon, met het verzoek om een nieuwe orde te mogen stichten. Zijn verzoek werd niet ingewilligd, waarna hij, woedend als hij was, de plaatselijke bevolking uitnodigde om met hem bannelingen te worden. Een paar dorpsgekken stemden in, en het klooster werd gebouwd. Nakomelingen werden geboren, zowel uit mens als aap, en langzaamaan groeide de bedrijvigheid van het klooster. Geld werd verzameld, en geheel volgens hedendaagse marktprincipes werd winst gemaakt. Met de bedrijvigheid werd het klooster groter gemaakt, en meer voedsel was nodig om iedereen te kunnen voeden. 
Behalve deze handel met de plaatselijke streek, was er geen enkel contact met de buitenwereld. Als afvalligen hadden ze bij de Kerk niets te zoeken, de vergaarde  munten werden bewaard als een appeltje voor de spreekwoordelijke dorst.
Vijfhonderd jaar later was het klooster bezeten van de duivelskinderen. De monniken hadden vijftig jaar eerder hun biezen gepakt. Door de beperkte landbouwgrond en een toenemend aantal voedende monnikenmonden was een voedseltekort ontstaan, en de duivelsspruiten namen het heft in eigen handen. Ze stalen elk voedzaam stuk materie. Toen de monniken vertrokken waren, vormden zich groepen, die elkaar de liefde niet na stonden. Met de monniken verdween ook het voedsel, en kannibalisme werd niet ongewoon gevonden, met als gevolg dat ook de apenpopulatie in het klooster drastisch daalde.
Uit deze darwinistische principes ontstond al snel een groep doorgewinterde apen, waarmee een inquisiteur van de Roomse kerk kennismaakte, toen hij vanuit de stad waarvan alle wegen schijnen te komen naar het verre oord afreisde, om polshoogte te nemen van wat er geworden was van de briefschrijver die destijds zijn verzoek ingediend had.
Na een lange klim stond hij voor de lemen poort met zware eikenhouten deuren. Zich afvragend hoe die daar gekomen waren, liep hij onder de boog door, de verlaten binnenplaats op. Uit de put, die in het midden van de binnenplaats geslagen was, klonk een hoog, hard gekrijs. Verschrikt sloeg de vrome man een kruis en liep voorzichtig naar de put toe. Het gekrijs ging plots over in een gorgelend geluid. Toen hij over de rand keek, flitste een vuildonkergele vlek juist de put uit en verdween achter de andere kant van de put. Hij keek naar beneden. De put was gedempt, en op de stoffige laag aarde, zo’n tien meter lager, lag een duivelskind met opengereten keel. Hij keek op, en zag de vlek juist een van de bijgebouwen inschieten.
De zendeling stond en dacht, kijkend naar de neervallen daken, vervallen muren. Zijn blik bleef rusten op wat de kerk geweest moest zijn. De toren torende nog overeind, maar het middenschip zelf zou niet meer varen. Hij liep er naar binnen, in de hoop een kruisbeeld te vinden. De altaartafel was nog overeind, de voorkant was weggevallen, en daar gaapte nu een diep donker gat. In de nis achter de tafel stond een kruis. Een gouden Jezus was gevallen, en lag headfirst op de grond, met gedeukte neus, onder het kruis. Omdat het altaar was uitgehouwen uit de rotsen, viel er geen licht op het kruis. Hier en daar stonden nog kaarsenstandaards als getuigen van Jezus’ val.
Toch hing er een figuur aan het kruis. Geronnen bloed was van de zijtakken van het kruis naar beneden gekropen over de muren, zich vermengend met het stof en stro van het leem. Hij liep zichzelf zegenend dichterbij tot vlak voor het altaar en zag het vertrokken gezichtje met de grote snijtanden. De ribben staken uit de huid, en de staart was in het leiden om de kruispaal heengekruld en door de rigor mortis in die houding blijven steken.
Een schaduw schoot achter hem langs. Boven zijn hoofd zoefden geluiden. Hij draaide zich om. In de deur stond een bewoner van de Nieuwe Wereld met opgetrokken lippen stevig in de grond. Zijn hand liep naar het gevest van zijn dolk. De lippen gingen met de mond wijder open, en een schreeuw klonk. Een zingend lemmet, en langs alle muren vielen geelzwarte vlekken naar beneden. Dreigend kwamen de apen dichterbij, staarten omhoog en hun ivoren tanden duidelijk zichtbaar. De mens deed een stap achteruit en verloor zijn evenwicht. Zijn hoofd klapte op de altaartafel, die doorbrak en achter het tijdelijk ontzielde lichaam aanvielen.
Terwijl het lichaam zich beneden langzaam weer bezielde, keerden de Saimiri weer weg. Op de resten van de doorrotte offertafel kwam hij weer bij zinnen. Hij keek liet zijn ogen wennen en constateerde dat hij zich bevond in een kelder onder de kerk. Het lage plafond was uitgehakt uit het zandsteen. In de enige nis in de ruimte was een sarcofaag uitgehakt. Hij liep op de grafkist af, en zag tot zijn schrik dat het deksel open lag. Bevend sloeg hij zijn zegen en keek. De inhoud was van goud en zilver.
Een weg omhoog was er niet. Hij zag geen kans zich een weg te kunnen maken door het poreuze zandsteen. Scheelkijkend van alle ontberingen legde hij zich neer bij dit einde. Huilend maakte hij plek in de doos.  

zaterdag 19 maart 2011

Polly

een donkerte had zich uitgestrekt over de kleine ruimte. in de hoek, op de harde tegels, lag een foetus. ze was nog niet volledig bij kennis. ver weg klonk het tikken en ruisen van een radiator, misschien op de gang, misschien in de kamer ernaast, als de muren dik genoeg waren. met gesloten ogen probeerde ze enige regelmaat in de tikken te vinden. geërgerd opende ze haar ogen, maar ze merkte geen verschil. nadat ze dat twee keer gedaan had, kwam ze tot de slotsom dat ze niets kon zien en deed haar ogen toe. haar armen schoven onder haar lichaam, en ze zette zich af om op te zitten.

haar eerst ongeschonden armen zaten nu vol schaven, maar ze zat. steunend op twee muren, met haar knieën opgetrokken tot haar schouders. de spieren onder haar naakte huid rilden, om het gevoel van de verdamping van het inspanningsvocht tegen te gaan. met haar laatste arm reikte ze om zich heen om kleding te vinden. het enige wat ze greep was een linnen doek, van een in dit antilicht onbestemde kleur. die sloeg ze om en ze verzonk weer.

haar ziel rees niet op, toen er voetstappen klonken. een droog klikje was te horen, en boven de drempel verscheen een oranjig streepje licht. schoenen liepen, een deur ging open. wat gerommel klonk, en de schoenen liepen weer terug. de deur viel dicht. het licht bleef aan.

een draadje spuug droop uit haar linkermondhoek naar beneden. ze werd wakker en veegde het weg met de handrug. toen pas had ze door dat er licht was. het golfde en draaide, maar gaf haar voldoening dat ze nog kon zien. de stoeptegelvloer was een waterbed. op haar, de doek en de stoeptegels op de vloer was er niets. de draaiingen werden erger, en ze viel om.

met een zware adem werd ze wakker. het licht was weer uit, maar ze rook iets anders in de kamer. naast de betonrotgeur lag er voedsel te ruiken. de droge cracker vond zonder licht een weg naar haar mond. zonder een gedachte ging ze weer liggen. de wereld draaide zwart.

toen ze wakker werd, vloeide licht de kamer binnen. een donkerblauwe ochtendjas lag opgevouwen in de deuropening. op een vloer als ijs kroop ze er naartoe. ze voelde haar knieën en armen verpijnen, maar ze kon het. ze trok hem aan en klauwend aan de deurpost rees ze, strompelend het licht in.

donderdag 17 maart 2011

de windmolen

de jongen stapte van zijn fiets af. met de fietstocht was zijn haar een warboel geworden, maar dat was niet erg. vandaag was hij een geest. hoewel er in geen wegen of velden iemand te bekijken was, zette hij zijn ijzeren ros vast tegen het roestrode hek. daar stond zijn doel voor die dag, fier tussen het gras. als je van deze afstand keek, leek het geen kunst, maar als je beneden stond, moest je je hoofd toch echt in je nek leggen om die twee vierkante meter te zien waar de jongen heen wilde.

maar voor het zover was, waren er nog twee obstakels te overwinnen. hij deed zijn zwarte handen aan, om te voorkomen dat ze zich zouden afvragen waar hij geweest was, en pakte de staven vast. eerst zette hij één voet op zijn bagagedrager, greep naar de rand van het hek, en stapte er toen met zijn andere been overheen. voorzichtig, met beide handen steunend, trok hij het bagagedragerbeen ook over het hek en liet zich toen vallen. in de flits die door hem heenging toen hij die afstand naar beneden aflegde, bedacht hij zich, dat hij bij terugkomst niet op zijn bagagedrager, die, met de rest van de fiets, aan de andere kant van het hek stond, kon vertrouwen.

dat was van later zaak. hij draaide zich om en keek om zich heen. zoals al die keren dat hij hier al langs was gefietst, was er niets. het braakliggende terrein voor zijn doel was te waterig voor muizen, en te droog voor vissen. varkens of zwijnen zouden zich er wel vermaken. over een paar maanden zou hier een nieuw bedrijventerrein ontgisten, en om nou voor die maanden hier varkens neer te zetten, was ook niet erg rendabel. bovendien wist je nooit wat die dieren op zouden graven. de heuvels die men hier neergeplempt had, konden nogal wat rare dingen herbergen. vier jaar lang was dit de vuilnisbak van de stad geweest.

hij boog door zijn knieën, vastte de draadjes aan zijn kisten nog een keer, en zette stap naar stap op weg naar zijn doel. de bomen hadden geen bladeren, de wind ruisde en de snelweg, hemelsbreed vijfhonderd meter verder, zoemde zoals altijd net iets boven de wind uit. al na een paar stappen werd het braakliggende terrein braamliggend terrein. de strengen striemden aan zijn broek, en hij voelde de doorns door zijn grijsgewassen spijkerbroek heen. het leer van de kisten werd bekrast, maar zijn torso bleef ongeschaden. daar sloegen de krassers af op het polyester van zijn zwarte regenjack, wat hij speciaal voor vandaag aan had gedaan, tegen de mogelijk voorspelde, maar nog niet gekomen regen.

zijn komst liet geen noemenswaardige sporen na, behalve soms een afdruk van een zool in modder. De braamtakken wilden zo snel mogelijk weer terug in hun vorige positie, en na drie stappen was hij daarom ook al helemaal omringd door de bijtende planten. zijn eerste gedachte was terug te gaan en een betere weg te vinden, maar toen hij stilstond en opkeek, zag hij dat het hele veld al volgemigreerd was met de inheemse vruchtendragers. het was dus beter door te zetten.

een lichte miezersluier was begonnen te vallen terwijl hij de laatste meters naar het grijze eilandje aflegde. toen hij aankwam, was zijn haar weer neergedaald door het zware water. het was tijd voor een rust, voordat hij begon aan het laatste stuk van de reis. hij deed het groene rugzakje, wat al die tijd aan zijn rug gehangen had, af, en sneed de rits open. uit de spelonken pakte hij toen een plastic petflesje, een lang touw, een paar karabijnhaken, de zekering, en zijn eigen creatie. hij draaide het flesje open, en zette het in zijn mond. met zijn knieën nog bungelend in de zee, ging hij achterover liggen op het muisgrijze strand. de inhoud van het flesje klokte zijn mondholte in, overstroomde deze, en droop onderlangs zijn oren het zand in.

hij kwam overeind, stopte het flesje en de machine weer terug, zipte de tas dicht, en deed deze alvast terug op zijn plek. vervolgens hing hij het touw met de karabijnhaken aan zijn broek, en gespte de zekering om. hij draaide zich om en deed twee stappen naar de regelkast. hoewel hij niet wist waar de sleutel was, had hij het gevoel dat die toch ergens in de buurt moest liggen. eigenlijk was wat hij nu deed, totaal niet nodig, want hij had alles al ingecalculeerd. maar daar was de sleutel al, en zo kraakte hij de regelkast open. binnenin zaten veel schakelingen en cijfers. alles stond zoals hij het had bedacht. hij gooide de regelkast dicht, en hing de sleutel terug op de plek.

toen pas keek hij om naar de stam. verweerd door de vele jaren regen, wind, sneeuw, droogte, warmte en kou, was deze verworden tot een grijsblauw omhulsel. één rechthoekig stuk op ooghoogte was echter glimmender van kleur. koperdieven waren ook hier langsgeweest en hadden hun kans schoon gezien. hij liep erlangs en zag zijn weg naar boven. vol goede hoop zette hij zijn zekering aan de roestige zekerdraad, maar dat was het enige wat fout gegaan was. dit was ook een pure gok. zonder zekering zette hij zijn zool op de eerste tree. glibberig van de modder klommen zijn zolen iets verder, toen sloeg hij ze tegen de mast, waarna het slijk van de mast naar beneden droop.

hij klom verder, zonder naar beneden te kijken. en al snel was hij boven. als hij met zijn hand langs de vetrand die de verbinding vormde tussen de kop en de rest van het lichaam zou strijken, zou een craquelé naar beneden vallen, en daaronder zou een nieuw mooi zwartglimmende rand tevoorschijnpiepen. maar dat deed hij pas toen hij op het platform stond. boven was de wind wat aangewakkerd, en de zoem van vijfhonderd meter verder was duidelijk hoorbaar. als hij hier met zijn beste vriend zou staan, zouden ze alleen kunnen communiceren met het enige wat ze eigenlijk nodig hadden.

taal is slechts een groot systeem, had hij geleerd. alles, elk woord, elke klank, kon worden teruggeleid tot op een punt dat er lang geleden iemand een geluid maakte, en iemand anders dat eerder begreep dan de blik in zijn ogen. meer hadden ze niet nodig gehad. toch was er een miscommunicatie geweest. zijn wederhelft had niet alles kunnen zeggen. daarom was hij hier. hij rommelde in de rugtas, en pakte de signaleur eruit, en zocht naar de juiste plek om hem vast te zetten. de drie loshangende draadjes zette hij vast op de juiste plek, en flipte de switch.

het licht was verblindend, hij deed een stap achteruit en stootte tegen het hekje aan dat hem tegenhield. maar alles wat niet van hetzelfde metaal als de stam was gemaakt, was hier te verweerd om een jongvolwassen jongen te kunnen houden. een roestig geluid en het hekje was op zijn weg naar beneden. met een daverende klap landde het op het strand, en stuiterde verwrongen weg de zee in. geschrokken keek de jongen om zich heen, of iemand in de omtrek het misschien gehoord had, maar er was niemand.

in geluk geloofde de jongen niet meer, maar toch was er een lichte twinkeling in zijn nog steeds verblinde ogen, die vertelde dat hij ervan genoot om op het randje te staan. als hij zijn gewicht iets meer naar achteren had gezet van schrik, dan zou zijn lichaam op die betonnen zeshoek liggen, tussen het verwrongen staal, wat dan niet zou weggesprongen zijn, maar een roestige indruk zou hebben achtergelaten tussen zijn schouders. het bloed zou uit zijn oren zijn gedropen en vermengd met de miezer, die inmiddels over was gegaan in een lichte regen, en het groenige algen onuitpoetsbaar een vlek hebben achtergelaten.

hij hing zijn benen over de rand en keek uit. daar in de verte zag hij de kerktorens van het centrum, en als hij goed keek, kon hij de volgende stad ook nog wel zien. hij zat hier goed. schikte zich een beetje op het metalen vierkantjesrooster, wat toch nooit lekker zou zitten. zo keek hij  hoe de wolken van grijs naar zwart verwerden. toen het zover was, haakte hij een karabijnhaak vast aan het platform, en knoopte het touw vast.
hij nam het touw in zijn handen en sprong.



 ☮T.

woensdag 16 maart 2011

voldaan van leegte

daar stonden ze dan, hij had het gezegd, en zij zei nee dank je, maar laten we blijven. het was een mooie nacht, als het water dat hij die avond bij zijn vegetarische maaltijd had gedronken. toen hij het podium opklom was ze er niet, maar gelukkig kwam ze toch nog. hij was te druk met gitaarspelen, maar zag haar en haar wederhelft wel binnenkomen. toen hoopte hij nog op een drie-eenheid. toen de band klaarwas, ruimde hij zijn gitaar weg. boven, in de kleedkamers, of eigenlijk de OK, zoals het hok heette, waar de bandleden een koelkast hadden staan, stond hij. borg alles op, de spreekwoordelijke pijl uit de boog ging hem te snel. ze zou toch missen, bleek later, maar dat wist hij nog niet.

hij moest nu toch echt naar beneden, iedereen zou hem opwachten, hem feliciteren, knuffels zouden gedeeld worden, en dan zou de nacht beginnen. het zou wel loslopen, net zoals elke andere nacht. nuchter was hij niet, hoewel de geest in de fles er nog niet uitgekomen was. dat moest toch eens gebeuren, dus waarom niet nu. twee glazen met bijbehorende inhoud in twee minuten, dat vond hij geen slechte score.

voor een afdaling naar de hel, was het welkom niet slecht. iedereen was gekomen. en ze vonden zijn levensverhaal goed. dat deed hem deugd. ook zij, ook zij gelukkig. toen was het luisteren, de muziek stond hard, dus een goed gesprek zat er niet in. op haar vraag zei hij dan ook dat ze maar beter naar buiten konden gaan voor dat goede. langs de drek en het water liepen ze nog een trap af. de poortwachters zeiden ze vriendelijk gedag.

zo stevende hij op zijn doel voor die avond af. een ervaren schipper. maar élas, het mocht niet bijten. we blijven vrienden, dat zwoor hij toen, want ze hadden nog betaald voor een feest. hoewel de nachtzon, met zijn minions aan de hemel zichtbaar was, was het koud. an sich was dat niet verwonderlijk, het was nog voor de lente. later die avond zouden ze nog een keer terugkeren, maar beter gekleed tegen dat bijtende monster. verder liepen ze toen, en met de meters kwamen ook de zinnen. een gesprek vloeide. toen de beek was verdroogd, liepen ze de warmte tegemoet. op de trappen naar de hemel werd hij tegengehouden. niet door de wachters, maar door een oude vriend.

hoe lang hij die al niet meer gezien had. hij vroeg zich af of het wel een vriend was geweest, gezien zijn houding tegenover de betreffende persoon niet, maar ergens had hij toen wel genegenheid gevoeld. anders waren ze sowieso nooit tezamen gekomen. misschien waren ze beiden verschoppelingen. wezens van een andere planeet, die op aarde geworpen waren om daar anders te zijn. een verschil te maken, als zondebok, of als kip. uit ongeloof vloog zijn vlakke hand tegen de wang van zijn numalige gesprekspartner. ben je het echt? leek de hand te zeggen. een lach, ja hij was het.

maar wat deed hij hier, in deze godverlaten plaats, daar aan de poorten van het leven. hij stak een sigaret op, en vertelde nonchalant van zijn beweegredenen. onomwonden, kort, bondig. hij zocht zwakke chickies om te neuken. geen steek veranderd, maar waarom hier? vroeg hij zich af. wanhoop zou het antwoord wel geweest zijn, wanhoop was de sleutel tot iedere beweging der verschoppelingen. tot die conclusie zou hij later komen, niet één keer, maar nog veel vaker. vooral als je ernaar zou zoeken, vond je het. maar was dat niet wishful thinking?

in ieder geval werd hij terug op aarde getroost, zijn vrienden waren er nog. wat dat betreft was hij misschien geen verschoppeling. misschien was hij alleen maar wanhopig. bestonden wanhopige mensen? of waren die allang uitgestorven? nee, bij nader inzien is wanhoop iets wat eigen kan zijn aan de mens. toeval wil dat aliens het soms ook hebben.

toen was het stil, iedereen ging weg, maar hij bleef, tot het einde. voor het laatst daalde hij toen af, de poortwachters waren al weg, bierdrinken aan de bar, naborrelen. na wat kleine omzwervingen, kon hij haar nog een knuffel geven. gedrieën aten ze nog een banaan en een gesuikerde wafel. toen bracht een spiegel haar naar huis.

als een veerman schipperde hij heen en weer, om uiteindelijk weer aan wal te staan, met de laatste vrienden in het laatste café kon hij toen nog net een biertje meepikken. toen gingen ze naar huis.

de volgende dag gooide hij een tennisbal tegen zijn spiegel. niet zijn spiegel, maar het object stortte in elkaar. met het laatste restje energie zette hij het ene been voor het andere, en vanzelf ging het. met elke stap werd de verdoving sterker. toch voelde hij zijn knie. hij moest terug, maar hij was ver weg. moe en voldaan van leegte kwam hij thuis.

☮ T.